ritme and all that jazz

Ritme and all that jazz

Muziek. Strikt genomen gaat het om niet meer dan trillende lucht, lucht die van alles doet bewegen, vele speelse ordeningen aanbiedt, een myriade van divers gestemde constellaties laat trillen – en stilte; muziek klinkt, de trillende lucht zijn klanken, in de muziektheorie worden ze als tonen aangeduid, daarmee worden zuivere tonen bedoeld. Vanuit de zuivere toon gezien is een klank een toon met een hoop verontreiniging, met de reductie van klank tot toon wordt van alles over boord gezet: de boventonen van ’t instrument, d.w.z. de klankkleur, de specifieke manier waarop een musicus zijn instrument bespeelt en de akoestiek van de ruimte, verontreinigingen die de muziek geur en kleur verlenen. Het notenschrift is een handige uitvinding, gebaseerd op een rekenkundige benadering van de muziek, melodieën worden als toonintervallen gelezen die in getallen kunnen worden uitgedrukt, melodische lijnen en accoorden worden verrekend tot getalsverhoudingen; iets soortgelijks gebeurt er met het ritme, er wordt een maat geteld, de tellen worden door een constante tijdsafstand van elkaar gescheiden. Laat de partituur het abstracte schema van een muziekstuk zijn, daarmee is het nog geen muziek, als het met toongeneratoren zou worden uitgevoerd, i.p.v. met muziekinstrumenten (dat wil dus zeggen dat alle ‘instrumenten’ het zelfde klinken) en de maatvoering zou in handen zijn van een atoomklok, dan zouden zelfs de mieren in slaap vallen. video

Opgezogen worden door een solo als die van John Coltrane in You’re My Every thing, is op gaan in een andere wereld, de zelfbouwgevangenis gaat even open, ’t lichaam wordt losser, beweegt mee met de ritmen, de dagelijkse onzin vervaagt, een duistere plek in de buik wordt geraakt en bloeit op, voedsel, iedere keer weer, nooit verveelt ‘t, het blijft verbazen, ’t staat er voor altijd, om na het luisteren weer terug te keren bij de deun van alle dag, thema-solo’s-thema, met het troostrijke weten dat de cd weer zo kan worden opgezet, of een andere. Er is meer muziek die mij in vervoering brengt dan jazz, muziek is onnoemelijk rijk, het voor-elk-wat-wils is hier geen garantie voor smakeloosheid, iedereen komt aan zijn trekken, je kan je overgeven aan diepzinnige kerkmuziek of laten meedrijven op een hiphop ode aan de oppervlakkigheid. Muziek is onbegrijpelijk divers, er zijn zo veel stijlen, verspreid over de gehele aarde, bij uiteenlopende handelingen is ze te horen, op allerlei plekken wordt er gespeeld, iedere groep, stam, laag van de bevolking, iedereen, heeft ‘zijn’ muziek, ze kan zonder het schrift, ze verbindt, opent werelden, laat stemmingen klinken, zet aan tot dansen, tot denken en marcheren, Dr. Feelgood, dan weer verveelt ze. video

Pythagoras

In Typee vertelt Herman Melville over zijn leven bij een stam op een eilandje in de Stille Zuidzee, op een zeker moment staat hij te neuriën, de omstanders reageren daar onverwacht heftig op, het bleek dat de Typee ’t melodische niet kenden, er was allerlei slagwerk, maar het harmonische klankspel was nog niet ontdekt; wat verderop in het boek vermeldt Melville dat er op het eiland geen zangvogels zijn. Zou de mens zonder de aanwezigheid van zangvogels niet tot muziek zijn gekomen? Maar dan zou er toch wel iemand zijn geweest die aan een strak gespannen uitgedroogde kattendarm zat te plukken, lag dit gelukkige toeval misschien op z’n rug naar een heldere nachtelijke hemel te staren, of trok een bloeiende blauwe regen hem de oren open? Een mensheid zonder muziek, wat is dat? Is zoiets mogelijk? De kaarten zijn anders gestoken.

Een Europese militaire mars is meestal gebaseerd op een vierkwartsmaat, net als veel jazz, het verschil in klank en stemming, in ritmiek en wat er teweeg wordt gebracht, spreekt in alle duidelijkheid, de mars bevoorrecht het marcheren, jazz laat dansen, bij de eerste is de maatvoering exact, in de geest van de militaire discipline, jazz swingt, er wordt aan de maat getrokken, het ritme krijgt een spanning, ’t gaat stuwen en maakt van alles los, de lopende band is een dansvloer geworden, dat is het effect van de Afrikaanse omgang met de Europese, nogal stramme vierkwartsmaat, die uitgedaagd, geanimeerd en verbogen wordt; blijft staan, dat er ook in een stramme mars wat schettert. video

Wie heeft van een knetterend vuur ooit kunnen zeggen dat het ritme niet deugt, terwijl een slechte drummer er zo wordt uitgepikt; het is toch nooit bij iemand opgekomen om te zeggen dat het ritme van bloemen aan een struik of het ritselen van bladeren aan een boom niet in orde is. Wat zegt dat? Is ons gevoel voor ritme gestemd in de ritmen van de natuur, of tappen een struik en ons ritmegevoel uit dezelfde bron? video

Swing ontstaat door van de maat af te wijken, bekkens klinken door, basnoten worden ‘verlengd’, noten worden ‘te vroeg’ of ‘te laat’ ingezet. Swing is de spanning tussen de exacte maat en een daarvan afwijkende timing, het trekken aan de maat kan niet willekeurig of mateloos zijn, anders zal het ritme in ’t ongerede raken en de muziek ontrafelen; in de afwijking die de swing tot stand brengt speelt een maat, een niet te meten maat, was ze er niet dan zou het ritme zijn draagvermogen en stuwkracht verliezen, in plaats van een ritme dat voegt komt er onrust. De maat zelf moet aanwezig blijven, verdwijnt ze uit het zicht dan valt een van de polen van de spanningsbron weg en daarmee de spanning. Als muziek swingt dan maakt de maatvoering door de musici dat mogelijk, wat niet wil zeggen dat de musici de oorsprong van de genomen maat zijn, de maat wordt aangereikt. Billy Higgins, de fijnbesnaarde drummer: Music doesn’t come from you, it comes through you.

Aan de melodische kant van de muziek speelt iets dergelijks: toen Charlie Parker werd gevraagd ‘hoe hij het allemaal deed?’ was het antwoord: “just looking for the blue notes” – een blue note, een halve noot naast de ‘juiste’ toon. Een vergrijp aan de correcte toon verleent een solo een schittering, donker of niet. Door de afspraken, die het spelen van een stuk impliceert, als springplank te gebruiken voor een of ander overschrijdend uitstapje, komt de zaak tot leven; swing en blue note schuiven net bezijden de waarheid – als juistheid – aan, om de weg vrij te maken voor een levendiger waarheid. video

Wat hier over de jazz is gezegd, geldt evenzeer voor de blues en alle andere muziek die uit haar is voort gekomen, als ook voor de flamenco; de klassieke ritmesectie van flamenco is handgeklap, de gitaar negeert regelmatig de correcte tel, snaren worden opgerekt, door frequenties heen, klanken overschrijden de toegemeten tijd, de zang voert ’t zingen terug naar zijn oorsprong, de schreeuw; woorden worden mishandeld, uiteengescheurd, medeklinkers worden afgevlakt, de woorden zijn materiaal voor een klankspel geworden, ze krijgen een lading, een stemming mee, de betekenissen worden naar het tweede plan verwezen. De kracht, het levendige, dat wat raakt, zit in een stemming die opklinkt, door de betekenis van de woorden af te zwakken komt er ruimte voor de meer oorspronkelijke kracht van de betekenisloze klanken. Flamenco zang wordt meestal begeleid door een of meer gitaren, soms ondersteunen ze, dan weer prikkelen ze, of verhouden ze zich tot de zang als een met-elkaar-spreken; doen de snaren de zonnevlecht stralen, gaan ze er met lichaam en ziel vandoor, dan lijkt het gitaarspel een verklanking van een sterrenhemel te zijn, spelenderwijs wordt er een brug geslagen met het nachtelijk uitspansel, een brug der zuchten tussen stem en sterrenhemel. video (zie ook  de flamenco website en de Andalusische radio en TV)

The Burning Plain is een film die in heel zijn complexiteit op één scène aan stuurt, eerst denk je, knappe film, wel erg veel mooie plaatjes, er is wat aan de hand maar niets wereldschokkends, verderop blijkt dat er wat lag te broeien; als de verhaallijn min of meer duidelijk is, dan vraag je je af of het niet wat minder ingewikkeld had gekund, stemming en intensiteit veranderen als het liefdesnest in vlammen opgaat, alles wat gebeurd is wordt in één klap en met terugwerkende kracht in huiver gedoopt, de opmaat voor het laatste moment waarin alle zenuwstrengen samenkomen, zich tegelijk, samengebald ontladen in de plexus solaris om braakliggende gevoeligheden te ontsteken, de film schetst een anatomie van de zonnevlecht, haar uitverkoren doelwit, het litteken van een geamputeerde borst zaait zich uit.

Qua klankkleur is er een opvallend verschil tussen flamenco en aan de andere kant, bluesjazz en rock ’n roll, een bonte muziekfamilie die ik machinemuziek noem, een aanduiding die o.m. naar dit verschil in klank verwijst: in machinemuziek klinkt metaal, de machineachtige klanken van bekkens en hi-hat, ze heeft een machineachtige cadans, machinemuziek laat haar biotoop, de moderne techniek en het leven in de grote stad, aan het woord. De ritmische ondersteuning in de flamenco is donkerder van klank, is aardser, de gebruikte instrumenten zijn basaal, handgeklap, geroffel van hakken op een houten vloer, gedrum op een stoel of kistje, er is geen metaal hoorbaar; het aardse laat zich uiteraard ook in de machinemuziek horen, anders zou er van het Afrikaanse niet meer overblijven als een abstractie: de contrabas met haar donkere, dragende klanken, tromgeroffel, ’t riet dat het metaal van de saxofoons opruwt, daar doorheen snijdt en sist ’t metaal van de hi-hat, hullen bekkens de tel in hardkoperen wolken. video

In de New Orleans jazz komt de swing tot stand doordat de melodie instrumenten om de tel heen spelen, de ritme instrumenten, banjo en tuba, zijn redelijk rechtlijnig, de muziek nodigt eerder uit tot huppelen dan tot dansen, er klinkt een landelijke onschuld in door; in verhouding tot de moderne jazz ontbreken de metalen bekkens, de hi-hat en de drive van de contrabas, ritmisch gezien de tegenvoeter van de houterige tuba.

De technische productie van goederen wil fouten en storingen zoveel mogelijk vermijden, in de machinemuziek ligt dat anders, Thelonius Monk onderzocht fouten als mogelijke uitgangspunten voor ’t componeren en soleren, machinemuziek lijkt beter te draaien als ze af en toe gestoord wordt, als een drummer een idee in leven houdt door een accent of roffel, of zijn instemming hoorbaar maakt, een prik uitdeelt om iemand bij de les te houden, als de bassist een noot weglaat of er eentje binnensmokkelt. De kosmos kent ruis noch afwijking, alles gaat zoals het gaat, het tegendeel beweren is wetenschappelijke kortzichtigheid.

‘Nadat we de muziek digitaal hadden opgenomen, heb ik de zaak op een bandje gezet en in mijn autoradio gestopt, dat geluid heb ik gebruikt voor de definitieve versie.’ Dit soort uitspraken doen producers regelmatig. Bassisten zweren bij buizenversterkers. Muziek die digitaal is opgenomen, is te netjes, er ontbreekt wat, ruis, met z’n onvoorspelbare karakter. Waarheid zonder ruis is ons niet veel waard, zo lijkt het. video

Machinemuziek, flamenco, is geïmproviseerde muziek, net als ontelbaar veel andere muzieksoorten, gecomponeerde muziek is veeleer de uitzondering. Geïmproviseerde muziek staat in het hier-en-nu, bij gecomponeerde muziek ligt de compositie vast, al is er ruimte voor interpretatie, het publiek is muisstil; muzieksoorten die rond het improviseren zijn gebouwd kennen een ruimte waar in solo’s zich kunnen ontplooien, componeren en uitvoering vallen dan samen, een improvisatie, een solo is van dat moment en die plek; het thema, accoordenschema’s, ritmiek en tempo zijn het uitgangspunt, een springplank, de haven waar de reis begint, om er weer terug te keren, een fenomeen dat analoog is aan wat er in de swing en in blue notes gebeurt, het uitgangspunt onderzoeken op verborgen mogelijkheden, ermee spelen, de grenzen opzoeken, ze overschrijden, een solo kan dicht bij de kust blijven of de open zee opgaan, talk to me babydígame.

“Zo rijst de muziek plotseling op uit de chaotische zee van lawaai” schrijft Michelle Serres in zijn Muziek, “ze ontspringt aan de witte ruis van de wereld, aan de intense ruis van al wat leeft en de ruis van de samenlevingen”. Maar is de zang van vogels, de roep van walvissen, onze ademhaling en hartslag, het gedender van een trein over de rails, is dat allemaal lawaai? Natuurlijk is dat muziek, de muziek, de idee ervan, is er voordat de mens verschijnt, hoe zouden er anders mensen mogelijk zijn? Nogmaals Friedrich Hebbel: voordat wij mensen werden, hoorden wij muziek. Een mens zonder  muziek is ondenkbaar. In een wezen dat zich ergens ophield tussen aap en mens is ooit de muziek afgedaald, een gebeurtenis die het christendom zich heeft toegeëigend onder de titel van de heilige geest, het afdalen van de heilige geest is de betovering van een aapmens door de muziek, zo wordt de geboorte van de mens ingeluid. Keith Richards: music is the start of life. Iedereen die gegrepen wordt door muziek heeft daar een besef van, wetend of niet wetend.

Fritz-Hebbel

Friedrich Hebbel

Muziek is in een pompeuze stijl geschreven, het herhaalt een simplistisch, rechtlijnig schema, lawaai-muziek-klank-taal-betekenis-wetenschap, vele malen, aangekleed met nogal wat lawaaierige woorden, er wordt geen enkele gedachtengang voor het schema aangevoerd, wat klaarblijkelijk met opzet gebeurt. Waarom loopt hij zo opzichtig om Pythagoras heen? Muziek is een verhaal van de kosmos, dat kan van alles gezegd worden, maar de muziek, met de ritmen als hart, ligt het dichtst bij de bron, zij is samen met de wiskunde de meest directe uitdrukking van de kosmos. Muziek “rijst niet op”, “ritmen worden niet uitgevonden”, het is de kosmos die spreekt en een verre voorouder had zijn oren open. Waarom zou de muziek niet uit de stilte zijn opgekomen, i.p.v. uit het lawaai?

Als ik Muziek lees, dan kan ik het alleen met klassieke muziek associeren, dat is niet zo vreemd als “de muziek ons van het kwade moet verlossen”. Wat is dat ‘kwade’ en waarom moeten we er vanaf? Muziek wordt ook voorgesteld als “een roos ontdoen van zijn doornen”, als het verwijderen van “de stekels uit het lawaai”. Is een roos zonder doornen nog een roos? Zonder kwaad, zonder doornen zal er geen jazz, blues, flamenco en nog een paar duizend andere muzieksoorten zijn, jammer. Waar vindt bij Serres de dissonant nog een plaats? In het laatste deel van het boek wordt het christendom nog eens poëtisch opgepoetst, waarom deze schuld-en-boete cult nog een opknapbeurt moet krijgen, ontgaat me.

Bij het bekeren van de inheemse bevolking van Bolivia gaven de Jezuïeten de voorkeur aan de muziek boven het woord, de soldaten van Jezus beseften dat muziek dichter bij de bron ligt, dat ze het bewustzijn minder nodig heeft, dat haar taal directer is; deze tactiek was de opmaat voor het ontstaan van een Boliviaanse barokke muziek. Het leren van de Koran gebeurt door het herhaaldelijk zeggen van teksten, dit declameren is eerder een zingen als spreken, het zijn voor al de ritmen die de Koran teksten hun plek wijzen, waarbij het veelzinnige, onderdrukkende bewustzijn in eerste instantie vermeden wordt, dat krijgt zijn kans nog wel. De geschiedenis van het religieuze, van de erediensten, van de weg die de monotheïstische godsdiensten zijn gegaan, impliceert o.m. een verwijdering van dans en muziek, daar gaan de protestante kerken het verst in, Calvijn wilde van het orgel af, vergeestelijking gaat gepaard met een voorkeur voor het woord, ze versterkt zich zo; ’t vlees worden van het Woord is ook een woord worden van het vlees. Contact met aardse culturen kan dit op een aanstekelijke manier omdraaien, Soul muziek lijkt een dependance van de baptisten te zijn. In de film Witness houden deze verschillen in de protestantse cultuur elkaar een spiegel voor als een jonge Amish weduwe Sam Cook, zoon van een dominee en gospel, hoort zingen: de ondergedoken smeris leeft op, ogen gaan glanzen, ze dansen, de temperatuur stijgt, een ouderling beveelt de muziek af te zetten.I don’t know much about history. video

Christelijke kerken proberen de mens misschien niet in het Woord op te sluiten, dan toch zeker ernaar te vormen, een opdracht die bemoeilijkt wordt door de Babylonische spraakverwarring; het Woord worden van het vlees behelst een vergeestelijking van het vlees, een verkramping van het lijfelijke. De film Babel slaat een tegenovergestelde weg in door juist de onmacht van de taal als uitgangspunt te nemen, 4 of 5 talen worden er gesproken, verder is er een doofstom Japans meisje voor wie taal klankloos is, het zijn vooral banale, lijfelijke gebeurtenissen, wat handen doen en laten, die dingen op gang brengen: een vinger haalt een trekker over, een tedere hand op het voorhoofd van een kind, een klap, een oude Berber vrouw die de gewonde Amerikaanse een hasjpijp geeft, een hand op haar voorhoofd legt, iets prevelt of zingt, de smeuïge Mexicaanse bruiloft, een hand die onder een rok verdwijnt, het ijs tussen het Amerikaanse echtpaar wordt gebroken als zij in haar broek pist en de man haar helpt, al het gepraat ervoor liet de machteloosheid en vijandigheid in tact. De film eindigt met ’t beeld van de Japanse vader met zijn dochter, hand in hand, stevig ineengeklemd, dan schuift het beeld de gloeidraadkosmos van het nachtelijke Tokyo naar voren. In Babel zijn de woorden veelal onmachtig, gebaren, lijfelijk contact, banale gebeurtenissen hebben hier gewicht, net als muziek ondervinden ze geen hinder van de Babylonische spraakverwarring, ze leggen vaak meer gewicht in de schaal als de versleten woorden; de in de film uit elkaar liggende gebeurtenissen worden verbonden door het digitale net dat de aarde omspant, er is nog een uitspansel, een universum van pijnen en pijntjes, een enkele keer onderbroken door wat vreugdevollers, puberpijnen, zielepijn, onechte pijn, het vroegtijdige verlies van een kind, een hele catalogus, zichtbaar gemaakt in beelden, met de woorden meestal als bijzaak.

Een klassiek bespeelde bas draagt de muziek, stuwt haar voort, ze is deel van het fundament, als Jaco Pastorius speelt dan draagt de bas een ritmische ruimte aan, waarin de muziek kan gedijen, de donkere klanken van de bas verbinden de ruimte met de aarde, een band die kan worden doorgesneden. Een bas legt samen met de percussie een weg waarop gelopen en gefietst kan worden, de bas als ruimteschepper zet zich van de weg af, we zijn losgekomen en gaan de ruimte in. In Shadows and Light (een concert van Joni Mitchell en haar band) laat J.P. dit principe horen, in zijn solo componeert hij eerst zijn eigen begeleiding om ze door een computer te laten spelen, een ritmiek met een redelijk straffe beat, maar vooral ruimtelijk, daar in soleert hij, we hebben ons van de weg afgezet en laten wat achter, muziek wordt ruimtevaart, klanken gaan een ritmische weg op in een amorfe omgeving van vervormingen van die zelfde klanken, er is geen onder en boven meer; het ruimtelijke is het effect van de electronische behandeling van de bas klanken. J.P.’s dansen is ook niet mis, soms maakt ie zulke schofterig mooie bewegingen, hoofd, armen en bovenlichaam, heel zijn lange slanke melancholie beschrijft spannende bogen, op tegenritmen van heel ver weg. video

Een enkele keer is muziek een huis, er klinkt een ruimte op die bewoonbaar lijkt, soms heelt ze. Is de pijn die sommige echt goeie muziek doet – die onmiskenbaar raakt, boort, vervoert – niet de erkenning dat het aangeboden huis nergens te vinden is en dat we er hooguit een keer aan zullen ruiken, of klop ik de pijn zo teveel op?

Met een tik op de billen van de pasgeborene wordt de ademhaling op gang gebracht, de longen vullen zich met lucht en meteen begint het gekrijs, voorbode van ‘t gezang. De stem, ze is menselijk, al ligt haar oorsprong niet daar, het lijf zelf is instrument, de techniek is van geest/vlees, ze is spreekbuis van de ziel, leeftijd geslacht karakter stemming en geschiedenis klinken erin door, een taal, een dialect vertelt van een landsaard, iedere stem is uniek in het verbreken van de stilte, als ze door verleidelijke heuvels en dalen wordt meegevoerd dan bekeert ze zich tot een lied, tot een muzische schreeuw. video

In een stem spreekt een ziel, haar rijkdom wordt hoorbaar, of haar armoede. Als iemand met een magere ziel gaat acteren, dan zal zijn spreken leeg en hol klinken, wie niets in zich heeft kan niets geven, er kan niets in het gesprokene worden gelegd, aan de woorden kan niets worden meegegeven; in plaats van het acteren op te geven komt er dan een soort van declameren met een overdreven, onnatuurlijke en daardoor irritante beklemtoning van bepaalde klanken, om zo de leegte te vullen, het effect is averechts, de leegte roept alleen maar harder: de moderne Nederlandse acteur.

In het zingen speelt bijna altijd een gespannen verhouding van klank en betekenis, er is weinig zang waarin woorden niet het klankmateriaal zijn; als de betekenis van de tekst gaat domineren dan gaat dat ten koste van de muziek, we zijn op het terrein van politici, dominees en andere verspreiders van het woord en vooral van gezever; is het klankmateriaal betekenisloos, zoals in de scat-vocal, dan is de reis te veilig, een van de spanningspolen is verdwenen en de zaak valt plat, al kan een goede stem wat schade aanrichten; zingen, gestamel en gekrijs herinneren ons eraan dat de klank er voor het woord was, dat de woorden uit klanken zijn gesmeed. Het zeggen van een gedicht beweegt zich in het zelfde spanningsveld, is evenzeer zingen, hardop een gedicht van Hadewijch lezen is een lijfelijke muzikale ervaring. Beklemtoning, stemverheffing en klankkleur spelen in de omgangstaal een rol, maar zelden is deze muziek iets meer dan een ondersteuning van betekenissen, er zit meer muziek in een lach of een goeie huilbui.

Het verwisselen van begin-medeklinkers of klanken in een zin, of in een samengesteld woord, heeft vaak een grappig effect, of wel, hoe een hoe een kaas vangt. Dit spel werkt omdat de oorspronkelijke zin in de reconstructie doorklinkt en samen met haar een speelse spanning oproept. Hier werkt een zelfde principe als in de swing en de blue note, de Engelsen hebben er een woord voor: Spoonerism.

De manier waarop Billie Holiday zingt is sterk verwant aan het soleren van sommige tenorsaxofonisten, door de manier waarop zij de vaak wat sentimentele teksten behandelt storen ze nooit, de woorden worden in de muziek de oren gewassen, door aan de maat te trekken en te duwen wordt er rek gecreëerd, ontstaat er een soepel schofferende gang, een vergrijp aan de juiste toon laat een woord openbarsten, schoonheid is alleen schoonheid als er een smet op zit; Billie Holiday, huwelijk van speelsheid en een tragische ondertoon, welk van de twee het meest te zeggen heeft verschilt van lied tot lied. ‘There is happy blues and there is sad blues’, als je Billie Holiday deze woorden hoort uitspreken, met haar gebroken stem, dan raakt dat de zenuwen, woorden worden scherven. video

Wat is hier de ‘zuivere toon’, ’t dagelijks brood van de vrolijke en droevige blues? In de meer klassieke blues wordt de tekst op een andere manier tussen haakjes gezet: door de opgeroepen stemming, door wat ze teweeg brengt, door een dansje en all that jazz haaks te laten staan op de vaak klagerige teksten over een teveel of te weinig, de bluesy ironie en de smeuïge ritmiek overspelen de dagelijkse narigheid, wetend dat die toch het laatste woord heeftvideo

The Last Waltz, het afscheidsconcert van The Band, is een van die buitengewone feestjes waar de rock ’n roll zo rijk aan is, een stoet van lekkernijen laat zich horen, van elk zou je wat kunnen zeggen, maar wat niet met woorden tot leven is te brengen is het plezier, de intensiteit, de kracht en overgave waarmee gezongen wordt, het zich met hart en ziel geven, het aanstekelijke en het feestelijke, wat de muziek teweeg brengt, hoe ze bezit neemt van de feestgangers, de lijfelijkheid, dat ligt buiten het bereik van de woorden, het moet gehoord, gezien en gedanst, of beter, meegemaakt worden. video De hoogtijdagen van rock ’n roll en jazz omvatten een paar decennia, het aantal jaren is verder niet van belang, wat telt is de explosie van muziek, een vuurwerk van schitterende concerten opnames en festivals, geurige ingrediënten voor een nieuwe jongerencultuur, vermengd met chemische uitstapjes en avondgymnastiek. Rock ’n roll en alles wat eraan vast zit was de grondstof voor een cultuurindustrie die vooral vervlakking bracht, de machinemuziek heeft haar beste tijd gehad, een ritmebox kan de percussie vervangen, ’t digitale is geluidloos, muziek is digitaliseerbaar, de nullen en enen kruipen er in; de stemming lijkt op dit moment vooral van verveling vervuld te zijn.

P.S. Na het lezen van de autobiografie van Levon Helm moet het beeld van het Last Waltz feest worden bijgesteld, hij vond het allemaal, ook muzikaal, niet erg geslaagd, zowel beeld als geluid zijn na de opnames stevig opgepoetst, een nummer moest in zijn geheel  opnieuw worden opgenomen omdat de stem van Robbie Robertson hoorbaar was en zingen schijnt hij niet te kunnen, ook op het persoonlijke vlak was het feest voorbij. Leve het bijschaven, weg met de nare dingen, behaag de klant, dat brengt in ieder geval de duiten binnen.

The Band, ’t landelijke is hoorbaar, rock ’n roll vol spanningen, door ritme- en tempo wisselingen, door snijdende gebogen gitaarlicks, gedragen en soms overspoeld door een synthetische orgelvloed, Levon Helm, de woorden krijgen kracht en raken opgewonden, de overslaande stem van Rick Danko, een struikelende klankkleur die de zang een nerveuze lading geeft; met de voeten op de grond, in de modder, it’s a common, a brand new day, dat vat de muziek van The Band samen, een nieuwe dag, dat is alles, EEN NIEUWE DAG! Shit, weer een dag. video

Films hebben een ritme, die zijn even divers als wat er in de verschillende films gebeurt, ze tonen zich in de verhouding van scènes, in de stemmingen die daarin spreken, wat er gezegd wordt, kleuren, landschappen, er wordt teruggegrepen, vooruitgewezen, enz.; muziek speelt daar een belangrijke rol in, ze kan klemtonen aanbrengen, uit elkaar leggen of verbinden, soms wordt ze belerend door voor te schrijven hoe scènes gelezen moeten worden, dan weer is er een nauwelijks hoorbaar lijntje, een snoer. Een film die op dit punt excelleert is Under Siege van Andrew Davis, rock ’n roll is de motor in de kaping van het slagschip US Missouri, ‘it’s all rock ’n roll to me‘  vat Tommy Lee Jones samen, hij en Gary Busey spelen de aanvoerders van de gang, T.L.J. speelt de rol van zijn leven als een van de twee updated cowboys, met een muzikale dwingende stem zegt hij aangenaam scherpe teksten, G.B. doet een infaam dansje, verkleed als vrouw, rock ’n roll, op de Stille Oceaan. De kapers komen binnen met eten, muziek en Miss July ’89, de omslag komt als de band speelt, de bemanning klapt en danst, een officier wordt neergeschoten, de openingszet in de verovering van het schip, van zwaar bewapend speelgoed. Blues en rock ’n roll zijn in de film te horen, als T.L.J. twee Tomahawk raketten, met kernkoppen, op Honolulu heeft afgevuurd, imiteert hij Jimi Hendrix’ behandeling van het Amerikaanse volkslied en geeft de raketten een Happy trails! mee; als rock ’n roll zijn hang naar de andere kant van de streep is kwijtgeraakt, dan heeft iemand het vuur uitgepist.

In de schilderkunst zijn ritmen makkelijk te identificeren met verhoudingen van lijnen, kleuren, vormen, lichamen, enz.; ze kunnen uitmonden in een kleinood, zoals in het Portret van een Jonge Vrouw van Rogier van der Weyden (Berlijn): het ritme van de hoofddoek met het haarspeldje in verhouding tot de gevouwen handen omkranst ’t gezicht van een jonge vrouw waarin een erotische vertrouwdheid glanst; ze is een uitzondering omdat ze als een van de weinige geportretteerden de schilder aankijkt, in bijna al zijn portretten heerst rust, ingetogenheid en devotie, de mensheid heeft zijn huis gevonden in de Heilsleer. Dat is wat spreekt in het werk van Rogier van der Weyden, zijn schilderen wordt bewogen door ’t geloof in wat de Kruisdood ons kan schenken als we devoot en schroomvol zijn, het ritme waarin dit geloof zich uitspreekt is rust, zichtbaar in de handen, als voor een gebed gevouwen, de wetende starende blik straalt het uit, in een paar gevallen mag er iets anders spreken, maar rust en onbeweeglijkheid heer­sen, niets beweegt, water noch bloed stroomt, sieraden haren of tranen kennen geen schittering, glanzen niet of nauwelijks, kleding lijkt bevroren, de kruisafname uit het Prado is statisch, ze kent geen locatie, lijkt zich in iets als een kamer te voltrekken, dit is dè Gebeurtenis die tijd noch plaats kent. In de milde vleselijke onrust, in trots en ironie spreken individuen, ze leggen de ingetogenheid voor een deel af, het zijn de uitzonderingen in een wereld waarin de lichamen gevangen zijn in rust; een beeld dat wordt opgeroepen omdat de ritmen van kleuren, vormen en lichamen, de spreekbuis van de door het geloof gegeven rust zijn.

Als Francis Bacon iemand portretteert dan gebruikt hij een foto als uitgangspunt, ook voor zijn herschilderingen van Velázquez’ portret van Paus Inocentius X, het doek heeft hij nooit gezien. Bacon’s portretten zijn vervormde gezichten, er lijken ritmische krachten werkzaam te zijn die aan het vlees trekken en duwen, de vervormingen zijn steeds anders, al gaat het om het zelfde model, de verschillen zijn niet gering, toch blijft de geportretteerde herkenbaar, ondanks de krachten die in steeds wisselende constellaties werkzaam lijken te zijn blijft er iets ongrijpbaars overeind. Bron van de vervormingen is vaak een toeval, dat Bacon graag een rol wil laten spelen door met verf te gooien, of met borstels en doeken door de natte verf te gaan. De fotografie wordt toegeschreven waarheidsgetrouwe afbeeldingen te kunnen maken, dat ontslaat de schilderkunst van die opdracht, ze kan zich nu wijden aan hòe we zijn, i.p.v. dàt we er zijn, of ze kan het illusoire van een statisch portret ter discussie stellen en de overmaat aan eenduidigheid ondermijnen, ze kan proberen om de kwetsbaarheid en ’t weerbarstige van het mensenvlees te schilderen, of de continue oorlog waarin het verwikkeld is, of op zoek te gaan naar het vlees. Er zijn overeenkomsten tussen foto’s en de wijze waar op wij het licht dat op ons afkomt interpreteren, dat verleidt ons ertoe om foto’s wat betreft hun afbeeldend vermogen de kwaliteit ‘juist’ mee te geven, wat niet meer zegt dan dat onze blik de maat voor het afbeelden is, een machtsgreep die Francis Bacon op de snijtafel legt. De vervormingen kunnen te ver gaan, het werk is dan dood geschilderd, als b.v. een portret onherkenbaar is geworden is; ook hier speelt een onvatbare maat, één die een geslaagd werk van een dood geschilderd doek scheidt. In de vervormingen spelen vaak witte vegen een rol, ze suggereren werkende krachten, bewegingen, ze brengen een swing aan, met als ernstig jazzy voorbeeld het Portrait of George Dyer Riding a Bicycle (1966). De manier waar op Francis Bacon schildert was al aangekondigd in het werk van Velázquez, in de neus van het paard (Prince Baltazar Carlos in the Riding School) doortrekken groene en rode slierten het wit, verder zijn er de raadselachtige witte strepen en sluiers die in veel van ’t werk te zien zijn. video

De klassieke Spaanse gitaar heeft voorouders in Afrika en het Midden-Oosten, de flamencogitaar is ervan afgeleid, in de Amerika’s aangekomen werd ze omgebouwd tot Folkgitaar die op een gegeven moment electrisch versterkt werd en toen was er de electrische gitaar, enz. Blues, rock ’n roll, flamenco, kunnen niet zonder gitaar, in jazz brengt ze zelden iets meer als virtuositeit. De Spaanse veroveraars brachten naast hun wapens het Spaans en de gitaar mee, met de slavernij kwamen de Afrikaanse ritmen in een nieuwe wereld aan; de mens is het meest succesvolle roofdier, er is geen dier, geen wezen dat zo heeft huisgehouden onder zijn soortgenoten en in tegenstelling tot zijn voorgangers, ontwikkelde hij uit het roofdierzijn een hang naar wreedheid; een roofdier dat bouwt en speelt. In Stormy Monday legt T-Bone Walker de stand van zaken uiteen, They call it stormy Monday, but Tuesday is just as bad, Wednesday is worse, Thursday is also sad, the eagle flies on Friday and Saturday I go out to play, Sunday I go to church, I kneel down to pray. video (en luister naar een BBC uitzending over een West-Afrikaans 5 noten ritme)

Apollo, god van wijsheid en zijn tweelingzuster Artemis, godin van de jacht, hebben lier, en pijl en boog als attribuut, de werking van wapen en muziekinstrument berust op de kracht die is opgeslagen in een gespannen snaar, in het geval van ’t instrument krijgt de spanning een maat, afhankelijk van de gewenste klank, bij het wapen draait ’t om een zo groot mogelijke kracht, zo lang hanteerbaarheid en betrouwbaarheid niet verloren gaan. Oorlog en muziek zijn aan elkaar verwant, muziek is oorlog in burger, muziek is de oorlog bevangen door het spel.  Met zijn boog doodt Apollo de overtreders van wet en maat, hij is voorganger van de muzen, Artemis zoekt ’t leven op om het te doden. Roofvogels zingen niet, ze krijsen, al weet de uil de weg, een merel mag graag een worm eten, wij vallen voor zijn zangkwaliteiten, dat deze gloedvolle pusher van het lied af en toe een worm oppeuzelt, dat deert ons niet, we vergeten het maar al te graag.

het ritme waarin ‘k verkeer

is mei ter ore gekomen

gelikt in jazz

rolling stones

zongedroogde spaanse aarde

achtervolgd door ’n draaiorgel

In de muziektheorie worden termen als ritme en harmonie ingeperkt tot muziektechnische begrippen, ze zijn van andere betekenissen ontdaan, dat lijkt redelijk, het gaat immers om de muziek; deze redelijkheid ontneemt de muziek ieder metafysisch gewicht, al het niet-muzikale waarmee zij verbonden is wordt de mond gesnoerd. De rekenkundige benadering van ritme en harmonie lijkt terug te gaan op de Pythagoreërs, voor hen kwam de harmonie voort uit getalsverhoudingen, welke van goddelijke oorsprong waren en was de harmonie allereerst die van het (nachtelijke) uitspansel, waar de krachten die op de hemellichamen inwerken, bij gratie van de goddelijke getalsverhoudingen, in harmonische bewegingen resulteren; in de muziektheorie gaat het om lege verhoudingen tussen getallen, om abstracties. In de van Dale wordt harmonie omschreven als: “samenwerking of verband van een aantal zaken tot een wel geordend en aangenaam aandoend geheel, over een stemming, het aangepast-zijn van elementen aan elkaar en aan hun milieu: de harmonie der natuur; een harmonie van kleurende harmonie van zijn leven was gebroken; …” Harmonie is vooral een aesthetische begrip geworden, bijna synoniem met schoonheid. video

In het vroege Grieks is harmonie het samenvoegen, ’t binden, het verbinden van tegenstrijdigheden, bij Homerus is zij ’t samenvoegen van houten onderdelen van een schip; harmonie is ’t voegen van het tegenstrijdige, van wat met elkaar strijd, dat kunnen ook verschillende klanken of accoorden zijn; de tegenstanders worden niet met elkaar verzoend, noch gaat de een op in de ander, ’t tegenstrijdige behoudt zijn plaats, zoals in de manier waarop Nietzsche de Griekse Tragedie leest, als een bond van twee vijandige godheden, Apollo en Dionysos, die zich in hun strijd wederzijds bevestigen: vorm en wet blijven abstracties als ze niet worden geschonden, ’t overschrijden van regel en wet is voedsel voor de extase. In een harmonieuze betrekking is het tegenstrijdige ineen gevouwen, in de mythe is Harmonia de dochter van de oorlogsgod Ares en Aphrodite, godin van de liefde, ze is voortgekomen uit overspel, Aphrodite was de vrouw van Hephaistos, de kreupele god van ’t vuur en ‘t smeden; de constructie van boog en lier is gebaseerd op het principe van de harmonie, hun onderlinge verhouding, die van ’t spel en ’t doodbrengende, is dat zelden.

Beethoven’s late strijkkwartetten

 

overrompeld door snaren, meegevoerd

afgezet aan een vreemde oever

het verleden choquerend hernomen

als een bezielende muzische twist

zingend onverwachte harmonieën

wier ritme en stemming kenteren

als op hol geslagen paarden

in de ban van een onzichtbare ster

 

für Elise opbrekend ten ruste gelegd

door een wondere horende doofheid

een oud rijk huis bruisend verouderd

zeldzame harmonie van boog en lier

twist en pracht in elkaar gespannen

dansend een dwars melodisch motief

bespeelt Polyhymnia een kalasjnikov

Het woord ‘ritme’ is in het Grieks voor het eerst aangetroffen bij Archilochos, omstreeks het midden van de 7e eeuw v. C., daar zegt het, “het aan banden leggen van de mens”; Aischylos laat Prometheus zeggen dat hij “in dit ritme geboeid is”, vastgehouden wordt (in de vreemde); ritme betekent ook ‘houding’, bij Plato staat het voor de orde van een beweging. Als ‘ritme’ min of meer tot ‘muzikaal ritme’ is ingeperkt, dan wordt ‘schema’ het woord dat de niet muzikale ritmische fenomenen benoemt. video

Kunst die vol beweging is wordt vaak lyrisch genoemd, daarmee wordt gezegd dat de ontroering, de hartstochten, (overdreven) stromen, een interpretatie van lyriek die ver afstaat van de lier van Artemis en Apollo, de teruggespannen spanning is een stromen geworden. De piano is een slaginstrument, het is tevens een houterig instrument, de 88 tonen liggen vast en zijn discreet van elkaar gescheiden, de toonhoogte van de snaren kan tijdens het spelen niet veranderd worden zoals bij een gitaar. Ondanks deze houterige constructie kan een piano als geen ander instrument lyrisch klinken, de lyriek klinkt op door de ene klank in de ander te laten verglijden; is het niet de spanning van ’t versterven van klanken met het tot leven komen van andere, die het lyrische laat opklinken? De piano, het slaginstrument met het lyrische hart; lyrische muziek, harmonisch verklankte tegenstrijdigheid. Niemand kan de spanning zo oprekken, zonder terminale schade aan te richten, als Thelonious Monk. video Bij het registreren van een beweging met een film- of videocamera speelt een soortgelijk fenomeen: om de beweging te registreren moet de oorspronkelijke beweging in stilstaande beelden worden opgeknipt zodat de beweging als beweging weer aan ons kan worden teruggegeven. Het is het verschil tussen de beelden die het mogelijk maakt de opeenvolgende beelden weer als een beweging te lezen, hier doet de spanning van het in elkaar vervloeien van wegstervende en opkomende beelden bewegen.

Wie wel eens een duif heeft zien landen of zijn vlucht vertragen, die heeft wellicht de spanning in het lijf opgemerkt: de spanning in de vleugels, die een beetje naar buiten bollen, de ontspannen manier waarop de romp aan de vleugels hangt – een ontspannen spanning, een schoon samenzijn van spanning en rust. Is de duif tot symbool van vrede gemaakt om dat vrede ooit als harmonie werd opgevat?

Lucebert dicht: een goede solist is “de bedwelmende ingenieur, die toeval aanbrengt tussen wet en willekeur. Voor hem was het ‘vitale ritme’ van de jazz een leidraad bij zijn dichten: “die hortende elementen in klank en ritme, je zou kunnen zeggen dat zijn mijn blue notes en synkopen.”

Monk

de duizelingwekkende mandarijn beveelt

afbraak van het porseleinen paleis

wulpse slaven slopen terwijl hij

in zijn jaden grot zich hinnikend inspint

“Voordat wij mensen werden, hoorden wij muziek.” schrijft Friedrich Hebbel en de survival of the fittest ging door; het opengaan van de oren van onze voorouders voor de muziek is het afdalen van de heilige geest in de mens (in wording), het beest krijgt menselijke trekken. Het aantrekkelijke van een stem, zo aantrekkelijk dat wij haar toelaten om zich in ons te nestelen, is de werking van klankkleur, dictie en ritmiek, uitingen van karakter, geest, substantie, van een rijke ziel, of hoe dat ook mag heten (zolang het geen ‘ego’ is). Hier klinkt door dat de muziek onze geboortegrond is, daar komt de gevoeligheid voor een stem vandaan.

Stel je voor dat we op het moment dat we geboren werden, een bewustzijn zouden hebben, wie zou dat overleven, na de onvermijdelijke inbreuk op het relatief rustige bestaan in de baarmoeder, na afgezet te zijn in een onbekende, betekenisloze en overweldigende wereld, zonder daar iets aan te kunnen doen, zonder daarom gevraagd te hebben, of gevraagd te zijn? Wat niet wegneemt dat de potentie van de mens in zijn bewustzijn zit, het is zijn toekomst, zowel voor de geschiedenis van de soort als voor ieder individu. Bewustzijn blijkt ook een zaak van timing te zijn, te vroeg en de gevolgen zijn niet te overzien. In de religie ruimt het bewustzijn een plaats in voor een principieel onkenbare instantie en maakt zich daaraan ondergeschikt, is dat een erkenning van het nog prille bewustzijn dat er krachten zijn die nog niet getemd kunnen worden, of is het een erkenning dat er altijd krachten zullen zijn die zich weinig of niets van het bewustzijn aantrekken? Het heeft in ieder geval tot gevolg dat het bewustzijn ingeperkt en gerelativeerd wordt, het is een poging om de (over)moed van mensen aan te lijnen. Ach ja, dass war einmal.

Voor de ontwikkeling van het bewustzijn is een taal nodig, dat is in eerste instantie de gesproken taal waarvoor de klanken het materiaal leveren, bewustzijn en taal zijn innig met elkaar verbonden. De overgang naar een wezen met de mogelijkheid van een bewustzijn impliceert de overgang van klank naar woord. Ook dieren kennen klanken (net als visuele – en reuk tekens) die als signaal dienen, maar de ontwikkeling ervan, als die er al is, heeft niet geleid tot de mogelijkheid van reflectie en tot een talig systeem dat een leven en zijn leefwereld redelijk precies kan aanduiden zodat er (bewust) ingrepen kunnen worden gepleegd, taal die in steeds sterkere mate wordt gereduceerd tot gereedschap van de techniek. Muziek herinnert ons aan de overgang van klank naar woord, ook zij bestaat uit klanken, zonder die lastig te vallen met betekenissen. Muziek is mensenwerk, al ligt haar oorsprong elders, net als bij de taal, van wie we eerder geneigd zijn te vergeten dat ze uit een domein stamt dat buiten ons bereik ligt. Muziek maakt dat weer hoorbaar, componeren, soleren, is in eerste instantie ’t openen van het gehoor, luisteren naar dat wat om klanken vraagt. In meer of mindere mate raakt muziek ons buiten ons bewustzijn om, ze spreekt direct tot spieren, zieleroerselen, stemmingen, esthetische gevoeligheden, zenuwen, enz.

Het slechte onderwijs in het Nederlands leidt tot een gebrekkig ontwikkeld taalvermogen, dat geldt ook voor mensen die ervoor gestudeerd hebben, wat sommige politici, radio en TV journalisten ervan bakken is op zijn best lachwekkend. Nederland, het land waar onbenulligheid het hoogste goed in het openbare leven is geworden. ‘Ik wil een fatsoenlijke samenleving’ (de verkiezingsleus van de lijstaanvoerder van de PvdA van niet zo lang geleden), wat een geweldig toekomstperspectief, wat smakeloos braaf en dat alleen, om een schreeuwlelijk zijn kont te likken.

Als tegenstrijdigheden in de muziek gesmoord worden, als er niet een of ander oorlogje rondzingt, dan wordt muziek schone schijn, dan wordt ze een aesthetische exercitie. Er is vuur dat bossen en steden omlegt, vuur om eten klaar te maken, om warm te worden, om te brandmerken, te verwonden, vuur waaromheen gedanst wordt, het brengt licht, maakt zichtbaar, verblindt en werpt schaduwen. video

Vuur is een fascinerende uitgave van energie, een van de vier elementen waaruit alles zou zijn voortgekomen. Vanuit een energetisch perspectief zou er voor ‘vuur’, ‘beweging’ kunnen staan, er is dan geen wezenlijk verschil tussen het spectrum dat zich uitstrekt van het romantische kaarsje tot en met de H-bom, met dat van het kabbelende beekje tot de zondvloed, of dat van het verfrissende briesje tot aan de vernietigende storm, het gaat steeds om hoeveelheden energie die in een bepaald tijdsbestek vrijkomen. Waarom zien wij ’t vuur als een oorspronkelijker verschijnsel als bewegen? Is het omdat wij zonnekinderen zijn, iedereen wordt door de gloed van de zon verwarmd, wolken of geen wolken. Heeft bewegen een duister hart als het vuur?

Het wapen van Zeus, de oppergod, is de bliksem, Hephaestus is de Griekse god van ’t vuur en ’t smeden, hij is getrouwd met Aphrodite, smeedt sierraden, vervaardigt wapens en gebruiksvoorwerpen, heeft vrouwen van goud geconstrueerd die hem bijstaan in de smederij, hij maakte driebenige gouden tafels met wielen die zichzelf konden voortbewegen en besturen. In het Engels, Frans en Spaans betekent het woord voor smeden ook het smeden van een plan, bij de eerste twee staat het tevens voor het vervalsen (van een document); aan de smid zijn lange tijd magische krachten toegedicht. In het smeden wordt het vuur dienstbaar gemaakt, het levert de energie om het metaal beter vormbaar te maken; het gemeenschappelijke aan het werk van de smid en het plannen smeden is het scheppende, voor ’t smeden is het nodig de hitte te kunnen doseren, in hoeverre speelt er iets soortgelijks in het plannen smeden, moet de bron die doet bewegen, die aanzet tot het maken van plannen niet getemperd, dan weer aangewakkerd en gevoed worden? Van Pythagoras is gezegd dat hij in het gehamer van de smid voor het eerst de idee van een harmonische klank hoorde, men zegt dat het eerste flamenco ritme ontleend is aan de klanken van het smeden. Van het eerste snel rondgedraaide stokje in een stuk droog hout tot atomaire wapens, van bliksem tot hoogoven, van vuursteen tot crematie, gaat neuriënd een brandstichtende brandweerman onder een zon zijn weg, soms vloekt ie. video

Niet zelden is muziek een wonderlijke stimulans in het leven van parkinsonpatiënten, ze blijkt een leidraad te kunnen zijn om mensen weer aan het lopen spreken of zingen te krijgen, als door een toverstokje aangeraakt, van de ene op de andere seconde; een buitenissig medicijn dat alleen werkt als het daadwerkelijk gehoord wordt, houdt de muziek op dan verdwijnt de helende werking. Het geval van Clive Wearing: een Engelse musicus en musicoloog die door een ontsteking aan de hersenen bijna zijn gehele geheugen kwijt is, die iets maar 1 seconde of zo kan onthouden, wat zich in de tijd uitstrekt is voor hem een opeenvolging van fragmenten zonder samenhang, hij kent verleden noch toekomst, de afgrond waarboven hij leeft probeert hij te vullen met woordspelletjes, door verzinsels, door een woord dat genoemd wordt vast te houden door er van alles aan vast te rijgen, door aan het woord te blijven – hij dirigeert weer en speelt muziek, zijn muzikale vermogens lijken nagenoeg intact, hij kan zich scheren maar niet zeggen wat hij doet, voor zo’n bezigheid moet hij van buitenaf in beweging worden gezet, iemand moet muziek voor hem neerzetten, of zijn scheer­spullen klaar leggen. Deborah, de vrouw van Clive: “De stuwkracht van de muziek voerde Clive van maat tot maat… Als de muziek stopte, verviel Clive tot verlorenheid, maar op de momenten dat hij speelde, leek hij normaal.”

Een man, aan de ene kant akinetisch en aan de ander hyperkinetisch, medicijnen die de ene kant verbetering brachten maakten de andere kant slechter, hij is een goede pianist en organist, als ie speelt is zijn lichaam weer een samenwerkend geheel. Muziek wordt gedragen door een ritmiek, door een samenspel van ritmen, net als ieder andere beweging, of het nu gaat om de gang van een muzikaal idee, een verandering van plaats, ademhaling, lopen of oorlog, een gedicht of liefde, ’t wordt gevoegd en gedragen door ritmen. Raakt men uit ’t ritme, is het verstoord, dan kan mu­ziek een pacemaker zijn, zoals de mechanische variant orde brengt in een verstoord hartritme. Niet iedere muziek, niet ieder ritme heeft de gewenste uitwerking, er moet een zekere overeenstemming tussen muziek en horende zijn, een parkinsonsymptoom wordt (tijdelijk) teruggebogen als de luisteraar zich kan overgeven aan de ritmiek als de muziek ’t gemoed herstemt en ruimte schept. De symptomen van het syndroom van Gilles de la Tourette, de dwangmatige bewegingen en verbale uitingen, lijken veel op die van parkinsonpatiënten, beide kwalen worden gezien als een bewe­gingsstoornis. Matt Giordano, een drummer met tourette, organiseert drumsessies voor tourettepatiënten, dan verdwijnen de tics en verloopt alles gesynchroniseerd, de muziek brengt rust, concentratie, schept een band. video

Frances D., een parkinsonpatiënt, beschrijft haar wereld als een fantastisch mathematische, zoals in Alice in Wonderland: ik bevries niet, “ik beweeg nog steeds, maar ik heb geen ruimte meer om in te bewegen …, onze ruimte wordt groter en kleiner, hij deukt in en wikkelt zich zelf op tot hij bij zijn eigen middelpunt is aangekomen.”, ze beschrijft het klem zitten als een gebrek aan fysieke ruimte. Hester Y. beschouwt haar wereld als een twee dimensionale geometrische, als een mozaïek, of gebrandschilderd glas, als ze bevriest heeft ze geen besef meer van ruimte of tijd; in kinematische visioenen ziet ze dingen in een verkeerde volgorde, zo zag ze een pijp aangestoken worden en pas daarna de hand met de brandende lucifer naar de pijp gaan – ze ondergaat de ruimte als een gevangenis, de tijd stroomt niet, ruimte en tijd zijn voor haar gefragmenteerd. Hier wordt iets duidelijk van de helende werking van muziek, de bij uitstek tijdelijke kunst, de voortgang van de muziek valt samen met het verloop van de tijd, muziek is verklankte tijd; film en dichten hebben een zelfde tijdelijk karakter, maar de betekenisloze klanken van muziek raken ons directer dan woorden of beelden, ritmen spreken bijna rechtstreeks tot onze spieren, ze zetten aan tot bewegen. De helende werking van muziek berust o.m. op het (terug)geven van een stromende tijd: muziek maakt de stroom van de tijd hoorbaar, de voortgaande tijd, omgedicht tot muziek, heelt de gefragmenteerde ervaring van tijd, de mozaïek is voor even heel. (De hier vermelde verhalen over de invloed van muziek op het gedrag van mensen met een bewegings- of geheugenstoornis komen uit het werk van Oliver Sacks) video

Een kind dat net ’t lopen heeft ontdekt, zich daar geheel en al aan overgeeft, geconcentreerd, genietend, bewegend met een natuurlijke onschuldige slordigheid, dat zal na verloop van tijd min of meer normaal lopen, ongeveer zo als ‘men’ loopt, al blijft er altijd iets unieks over, het slordige en onschuldige is meestal verdwenen; praktisch gezien is dat vooruitgang, lopen als een jong kind betekent regelmatig vallen, lopen op de automatische piloot schept ruimte voor aandacht aan iets anders; voor deze winst zijn kosten gemaakt, er is wat opgeborgen, verdrongen en verbogen, als de hiermee gepaard gaande spanningen niet harmonieus worden opgeborgen dan kan het lopen, of daarmee verwante zaken, problemen gaan opleveren, de kinderlijke loop moet zich aan een andere ritmiek overgeven, moet op nieuw een onderkomen vinden in een har­monieuze melodie, als dat niet lukt, als de aard van het beestje niet wil inbinden of aanpassen, als vreemde krachten er zich mee gaan bemoeien, als lichaam/geest zich niet harmonieus met het volwassen lopen kan verbinden, dan liggen er storingen op de loer, hoe dat uitwerkt?

Niet alleen leren lopen voltrekt zich zo, volwassen worden is naast uitgroeien en versterken ook inbinden en omvormen, de resultaten zijn niet altijd harmonieus, evenmin hoeft ieder ongelukje ernstige gevolgen te hebben, weerstand is een gezond soort kunstmest, maar als het leven voor iemand onverteerbare trekken gaat vertonen en de onvrede naar binnen wordt gekeerd, dan kan een syndroom als dat van Parkinson of Gilles de la Tourette een manier zijn om de onhoudbare spanningen een vorm te geven, de kwaal kan als een overdrukventiel gaan functioneren. Zo gedacht, zijn de veranderingen in de hersens niet de oorzaak van de kwaal en ligt de zaak precies andersom, de geest/vlees vraagt het lichaam een overdrukventiel te installeren, vraagt het sommige spieren anders te instrueren. Ik vermoed dat er in een protestants getinte cultuur, met het zich schuldig voelen, de afkeer van het lichamelijke en de verinnerlijking van gevoelens, relatief meer parkinsonpatiënten zullen zijn. Een patiënt van Oliver Sacks zegt over haar tics en andere dwangmatige handelingen dat ze “haar bliksemafleider zijn”; de jazz drummers Ray G. en David Aldridge (beide tourettepatiënten) spreken over het drummen als een “explosie vergunning”, als ’t kanaliseren van energie. Volwassen worden, maatschappelijk worden, is o.m. het zich voegen naar maatschappelijke dwang, wij zijn zelf de belang­rijkste acteur in dit ‘zich voegen’, wij verinnerlijken en accepteren, een enkele keer ook niet, er wordt gedwongen, verankerd, verbogen, gestimuleerd en beloond, er wordt geweld uitgeoefend, met ons zelf als de belangrijkste voltrekker, dat brengt spanningen met zich mee die soms onhoudbaar zijn, dat lijkt mij de bron te zijn van een syndroom als dat van Parkinson, de weerstand en het verzet dat ontstaat bij het zich voegen en zich moeten blijven voegen, breekt sommige op, een ziekte kan dat vorm geven. video

Salsa, vuur, een ritmiek van in elkaar grijpende percussie, vuur met een maat, de instrumenten die zich met de ritmiek bemoeien steken ’t aan, houden de gang erin, af en toe springt iemand er uit, misschien om wat op te stoken of in te tomen, de rifjes van de blazers zijn de puntjes en flarden geel aan de rand van het vuur, een knetterende bongo, een bekken dat ploft; voor de zangers is het grond en aandrijving, ze drijven op een zachtheet vuurzeetje, tomen de stuwing van ’t vuur met onmogelijke tegenritmen in, Cheo Feliciano in El Raton, de cd Buenos Hermanosvan Ibrahim Ferrer, aan de wind, als een zalm tegen de stroom in; niet alleen de stem laat zich door tegenritmen meevoeren, maar als een aardse mensenstem ’t vuur streelt, dan is dat toch net iets anders. video video video

Het voegende en dragende van een ritme toont zich vooral als het ritme wordt opgebroken, Gerrit Achterberg speelt deze kaart uit, met één letter brengt hij zowel ritme als betekenis in het ongerede, de ‘overtollige’ letter doet onmiddellijk struikelen:

Rhythme

Wat van geheim ging in geheim,

zich in mijn armen neergevlijd,

met ogen dicht geademd heeft

van eeuwigheid tot eeuwigheid,

is lied geworden tot

vervulling van mijn lot.

Het moet wel op de wijze zijn,

waarmee gij dansende vergat

lichaam en sterveling te zijn.

Een schuddend hoofd, trillende handen, knieën die krampachtig naar elkaar toe – en weer uit elkaar gaan, stampende voeten, dwangmatige verbale uitingen, machteloze uitingen van een gemoed dat op iets onverteerbaars kauwt, als het rustiger wordt dan verstomt de klaagzang veelal, dergelijke dwangmatige handelingen kunnen in een ziekte geïnstitutionaliseerd worden. Ziek zijn maakt meestal sterker, een andere keer is ziek zijn een manier om een wereld op afstand te houden, een vorm van zelfbescherming, soms gepaard gaand met zelfmutilatie. Musici, vooral die muziek met een uitgesproken ritmiek spelen, bewegen van alles aan hun lichaam, ’t bespelen van een instrument beperkt hun bewegingen, net als het zitten of staan, maar altijd ontstaat er een geslaagd dansje – de ziekte van Parkinson is een dans op muziek uit het ondergrondse, muziek kan een huis zijn, een huis een gevangenis, soms voorzien van kleine venijnige kamertjes. Muziek is oorlog in burger – net als zingen en schreeuwen uiteindelijk het zelfde zijn, hij die niet kan zingen is allereerst hij die niet kan schreeuwen, Jimi Hendrix, Janis Joplin, Monk, Mingus, Galina Oestvolskaja … Muziek is een verhaal van de kosmos, de flonkerende sterren zijn voortgekomen uit de BIG BANG, hun geschitter leidt af van botsingen, explosies, implosies en ander vuurwerk. De Vietnam oorlog had de bijnaam rock ’n roll war, dat was niet alleen vanwege de muzikale voorkeur van Amerikaanse soldaten; in de film Apocalypse Now (Francis Ford Coppola) is de Vietnam oorlog een monstrueus feest; rock ’n roll met zijn machineachtige drive was de gepaste muzikale kompaan van de gemechaniseerde oorlog die de VS-militairen zo graag wilde voeren, een helikopterrotor wiekt de maat, iedere beweging, iedere bezigheid heeft zijn stuwende ritmen. Bij een aanval van een afdeling van de cavalerie – helikopters hebben de paarden vervangen – laat de commandant Wagner opzetten, hard, hij besluit zijn bevel met, shall we dance. video

Incidentally he gave me to understand that Kurtz had been essentially a great musician.” (Joseph Conrad, Heart of Darkness), dat is wat er over Kurtz, de mythische agent van een koloniale handelsmaatschappij wordt gezegd; hij is verreweg de meest succesvolle in het vergaren van ivoor, gebruikt daar volgens sommige onconventionele middelen bij en heeft duistere contacten met locale stammen die hem als een soort god vereren. Dit gegeven heeft Coppola overgezet naar de oorlog in Vietnam, Kurtz (de naam blijft dezelfde) is nu een Amerikaanse kolonel die zich niet aan de regels houdt en in samenwerking met locale stammen op eigen houtje oorlog voert, de tocht gaat nu niet naar de bovenloop van de Kongo maar over de Nang rivier in Vietnam, tot in Cambodja. De generaal die de opdracht geeft om Kurtz te doden noemt zijn wijze van strijden unsound – Kurtz’ manier van oorlogvoeren klinkt niet, klinkt ongepast. In het woord unsound, zoals dat hier wordt gebruikt, spreekt de suggestie dat datgene wat niet goed klinkt, de klank van het destructieve is, het woord krijgt een ethische of morele lading mee, er klinkt afkeuring in door. Wat niet goed is, klinkt niet, hier is de wanklank het negeren van bevelen, het in gevaar brengen van de hiërarchische principes, de dissonant is niet het destructieve van de oorlog, maar de eigenzinnige wijze waarop die wordt gevoerd. In beide vertellingen is de plek waar Kurtz zich ophoudt ’t oerwoud, het ondoorgrondelijke groen dat spettert en kwettert van onzichtbaar leven; oerwoud is niet alleen een van de oorspronkelijke vormen van bos, het is tevens een biotoop van de vroege mens, de tegen de natuur opgeworpen barrières zijn nog niet zo talrijk en minder breed. De krijgers van de Kongolese Kurtz laten zich niet op de vlucht drijven door kogels, wel door het geluid van een stoomfluit. Afrika dat een belangrijk gedeelte van de wereld van levendige ritmen heeft voorzien is tevens het continent waar oorlogvoeren een geliefde bezigheid is. Ergens, onder de dubbelster, oorlog en muziek, daar wonen wij.

In een ritme spreekt een beweging, een woede laat zich horen, een stem brengt rust of opwinding, een kat snort; muziektechnisch is ritme een spel met de maat, is het een kwestie van tijdsafstanden, maar er spreekt ook wat, een verlangen, kwaadheid, een beweging, opgepotte spanningen, …

Het klassieke beeld van de muziekleraar die poogt het maatgevoel van zijn leerling aan te spreken is dat van een metronoom, tikkend op een vleugel, de leerling achter de piano, met als begeleidende muziek een bevelend TELLEN! Het woord ‘tellen’ heeft dezelfde stam als ‘vertellen’, in het Nederlands betekent ‘vertellen’ niet alleen een verhaal verwoorden maar tevens ‘verkeerd tellen’; in het Duits bestaat de zelfde verhouding tussen zählen en erzählen, in het Engels betekent account zowel ‘rekening’ als ‘relaas’, to count is ‘tellen’, net zo in het Frans met raconter en conter. Het tellen als één, twee, drie, … enz. is oorspronkelijk vertellen, getallen vertellen een verhaal, de vijf is het verhaal van de vijf armen van een zeester, de vier is een verhaal van de poten van een koe en die van een kat, de twee is een verhaal van de ogen van een mens, van zijn armen, de één stond vroeger voor de Eenheid van alles, de twee was de ander, de spiegel, de mogelijkheid van een tegenstelling; tellen is artistiek en armoedig vertellen – en praktisch. Getallen zijn verdichtsels, ingegeven door de natuur, door onze omgeving, de gedichte getallen vertellen verhalen.

Ernst Jünger haalt de Duits historicus Alfred Focke aan, geschiedschrijver van de Chinese filosofie, deze roemt keizer Fu-Hi (± 3000 v.C.) als eerste Chinese filosoof en als heilige, voor de keizer stond de Een voor het mannelijke principe van het Al en de Nul voor het vrouwelijke principe van de aarde, hij verbood het de Een en de Nul als rekeneenheid te gebruiken. In Zahlen und Götter vermeldt Jünger dat Leibniz in 1716 in het werk van de keizer het grondmodel van de binaire rekenkunde ontdekte en dat Norbert Wiener zich bij de fundering van de cybernetica – eind jaren ’40, begin jaren ’50 – op Leibniz beriep. De geschiedenis van de wereld aan de hand van de Een en de Nul: van verdichtsels met een goddelijke inborst tot tekens die niet meer betekenen dan ‘wel of geen stroom’ en spoorloos opgaan in het functioneren van een computer – maar ook, wat een vernuft om in het onder keizerlijke hoede genomen ontwerp de binaire rekenkunde te ontdekken en daaruit de cybernetica te ontwikkelen. Getallen zijn verdichtsels, verdichtsels ingegeven door de natuur, door wat er om ons heen is, ingevingen verschijnen niet vanzelf als verdichtsels, ze moeten gevonden worden, gekoesterd en geschoffeerd, het zijn poëtische antwoorden op ingevingen die worden aangereikt.

TELLEN! Wat moet hier verteld worden? In een ritme spreekt een beweging, muziek is een verhaal van de kosmos, zij vertelt van het uitspansel, van harmonieuze bewegingen en ritmen, van explosies en zwarte gaten, van opkomst en ondergang – het getik van een metronoom verwijst misschien naar een abstracte structuur, ’t levendige valt eruit.

Als ik me afvraag welke muziek voor mij hemels is, dan moet ik onmiddellijk aan Pergolesi denken, zowel aan het Stabat Mater als het Salve Regina; wat betekent hemels hier? Niet meer dan goddelijk, of verwijst het ook naar het uitspansel? Het libretto van Stabat Mater vertelt van het lijden van Maria als zij haar zoon aan het kruis ziet sterven, een kerkgezang voor het feest van de zeven smarten van Maria; ‘feest der smarten’, dat klinkt veelbelovend, of worden pijn en feest met elkaar verzoend? Is een verzoening voor Maria mogelijk, een zoon baren waarvan ze bij de conceptie al wist dat hij op instigatie van de vader zal worden gedood, kan ze, door de vage belofte dat hiermee het heil van de mensheid gediend is, zich met deze gruwel verzoenen? Voor een gelovige zou de dood van Christus en het lijden van zijn moeder verlossing moeten brengen, deelnemen aan het lijden van Maria betekent een overgave aan de goddelijke, verlossing schenkende liefde. Dat is wat de woorden zeggen, die maken nog geen muziek – wat het libretto zegt klinkt ook in de muziek, devoot en meestal ingetogen, zeker bewogen, zelden extatisch, het getuigt van een devoot geloven; waarvan de woorden niet spreken is de krachtige aardse kant van de muziek, de bassen en ’t orgel, een donker weefsel houdt de klanken aan de grond, ieder deel van ‘t Stabat Mater wordt afgesloten met accoorden die alles en iedereen weer op aarde neerzetten, violen noch sopraan willen uitbreken, al ver voor de grens buigen ze terug, devoot, ingetogen, aards, mag het lijden van Maria de aarde niet verlaten, of is Maria de nieuwe godin aarde? Als Barbara Schlick ‘t Salve Regina zingt, dan wordt er verder gereikt, een heldere bronwater stem, soms klinkt er iets breekbaar’s. video video

‘Hemels’ is een kwaliteit die ik nooit aan jazz zal toekennen, als alle machinemuziek is zij stevig aan het hier en nu gebonden, klanken en ritmiek spreken van zowel technologie als van de aarde (met de hemel aan haar arm), improvisaties ontstaan in het nu, wegen worden gegaan of niet, misschien wordt er op routine een verleden overgedaan. Jazz stamt uit een geheel andere omgeving als het Stabat Mater, ze stamt uit een wereld waarvoor Newton het oude testament schreef en Einstein het nieuwe. De grote jazz was geen lang leven beschoren, uit de aard der zaak, zij wil mateloosheid en maat in een gespannen band bij elkaar houden, wie graag aan de rand van ’t mateloze bivakkeert valt er een keer in. In Mingus at Carnegie Hall, een concert uit 1974, is te horen dat het mateloze de verworven harmonie uit haar voegen dreigt te tillen: de bas heeft een granieten drive en zet aan tot oorlogzuchtigheid, in de solo’s van Roland Kirk wordt het mateloze hoorbaar, het ritme wordt losgelaten, onrust en verder laten zich horen.

In jazz is een sterke drang naar vrijheid aan het werk, in het soleren waar iemand de ruimte krijgt om z’n verhaal te doen, in het steeds verder afbouwen van afspraken over ritmiek, harmonie en melodie, de basis van het te spelen stuk. Dan is er de wil van de zwarte Amerikanen om hun stem te laten horen, om hun cultuur een plek onder de zon te geven, om een eind te maken aan het racisme. Jazz, blues, soul zijn bouwstenen in de emancipatie van de zwarte bevolking, ze zijn misschien wel belangrijker in het overbruggen van de kloof tussen zwart en blank als morele of ethische overwegingen. Als in 1961 Ornette Coleman de plaat Free Jazz maakt, dan staat dat gelijk met het indrukken van de self-destruct knop. Wat in 1974 nog opwindend klonk bij Mingus, het sublieme geweld van het einde, is tegelijk de opmaat voor een aflopende zaak, het afschaffen van ieder schema of structuur mag dan als absolute vrijheid worden gezien, het is een abstracte vrijheid, die zichzelf, uit haar aard, vernietigt.

Tim Flesseman

timflesseman@gmail.com Over Ritmefilia Federico García Lorca: Spel en Theorie van de Duende Michel Leiris: Spiegel van de Tauromachie


Advertisements

About this entry